KROETWÖSJ
1 aels alsemkruid 
2 bievoet bijvoet
3 boukent boekweit
4 floks phlox
5 gaesj gerst
6 haaver haver
7 hómmelkroet leverkruid
8 kaore rogge
9 kattesjtart kattestaart
10 nootentekske notetakje
11 proemetekske pruimetakje
12 reinvaart boerenwormkruid
13 sjteubloum papierbloem
14 terf tarwe
15 vossesjtart amarant of kattestaart
16 zonnebloum zonnebloem
De limburgse uitdrukking "Kroetwösj"betekent: een bosje kruiden.
In vroegere jaren werd Maria Hemelvaartsdag (15 augustus) ook wel Kroetwiensdaag genoemd. Veel mensen gingen die dag naar de Hoogmis met een uit zeven verschillende gewassen samengestelde Kroetwösj.
Voordat de Hoogmis begon, werden de Kroetwösjen gezegend door de priester, die de mis opdroeg. Als de mensen, nadat ze in de kerk waren geweest, thuiskwamen werd die gewijde Kroetwösj ergens in huis opgehangen, zodat die goed kon drogen om hem later te kunnen gebruiken.
De samenstelling van de Kroetwösj:
De gewassen welke werden geplukt, waren vaak streekgebonden. In ieder geval bestond de Kroetwösj uit:
twee verschillende graangewassen
twee verschillende geneeskrachtige gewassen
twee verschillende onheilwerende gewassen
een takje van een notenboom
dit bosje kruiden werd samengebonden met een blauw lint van zeven el lang.
De betekenis van de Kroetwösj:
De graan of voedsel gewassen rogge en tarwe.
Als de boer in het najaar zijn akkers met rogge en tarwe ging inzaaien voor de nieuwe oogst, haalde hij de aren rogge en tarwe uit de Kroetwösj. Pakte daaruit de graankorrels en mengde die onder het zaaigoed om zo een goede oogst af te smeken.
De geneeskrachtige gewassen waren boerenwormkruid en alsem.
Deze kruiden stonden bij de mensen bekend als goed middel tegen spijsverteringsmoeilijkheden, darmstoornissen en maagklachten. Als iemand van de familie buikklachten had, werden deze kruiden uit de Kroetwösj gehaald. Er werd thee van gezet, die opgedronken moest worden.
De onheilwerende gewassen waren leverkruid en duizendblad.
Als in het najaar zwaar onweer of storm woedden, werden deze kruiden uit de Kroetwösj gehaald en vaak onder het bidden in de kachel verbrand om bescherming af te smeken tegen blikseminslag of ander onheil.
De tak uit de notenboom symboliseerden de beschermende betekenis van de notenboom, die bij elke boerderij op het erf aanwezig was.
Het blauwe lint van zeven el lang had ook zijn betekenis.
Wanneer de boer een nieuwe klaverakker moest hebben, mengde hij het klaverzaad met het tarwezaad en gooide dat op dezelfde akker uit. Klaverzaad heeft een lange tijd nodig om te kiemen. Als de tarwe in augustus gemaaid was, begon de klaver pas goed te groeien. Die stond dan tussen de stoppels van de gemaaide tarwe. Als de klaver hoog genoeg was, werden de koeien naar de klaverakker gebracht en met een touw aan een houten paal (stap genoemd) vastgemaakt. Zo konden de koeien de stoppelklaver afgrazen. Vaak stonden die stoppels vol water. Als de koeien tijdens het grazen van die jonge klaver ook veel water binnen kregen, begon dat voedsel in de pens van de koe te gisten. Die koe werd ziek en kreeg een dikke buik. De boeren noemden dat, de koe is opgelopen. De boer haalde die koe naar de stal, het blauwe lint van de Kroetwösj werd om de buik van die zieke koe gebonden en ze kreeg zeven dagen als voer alleen hooi en water, dan was ze weer snel genezen.