Vriendschap


“Zullen we vrijdag naar Aken gaan? Maandag moet ik naar het ziekenhuis en wie weet hoe lang het duurt voor we dan nog eens samen weg kunnen.”
“Goed idee, doen we.”
Eigenlijk best onbezwaard, verheugden we ons op een van die gezellige klets- winkel- cultuurdagen die we zo regelmatig ondernemen samen.
In Aken, de Dom bekeken, winkels in en uit geweest, tijd voor Kaffee mit Kuchen.
Een leuke lunchroom, vol pluche, kleine intieme hoekjes, gezellig.
De koffie komt en dan zegt ze: “Nou ga ik de volgende week beter worden of ik ga dood.”
Bam, grote ogen, langzaam slikken, geen grond meer onder de voeten.
Mijn vriendin Riet ging ervoor dat ze beter werd. Dat hadden we altijd gezegd vanaf het moment dat ze hoorde: “Mevrouw u hebt leukemie.” Een vorm die met medicatie in bedwang kon worden gehouden. Riet was zo jong dat de artsen haar aanraadden voor beenmergtransplantatie te gaan. Haar zus kon en wilde wel donor zijn. Riet werd dus beter, dat geloofden we duidelijk.
En dan zo bij de koffie: “Ik word beter of ik ga dood.”
Wat nu? Netjes zitten blijven met koffie en gebak. De angst komt dan opeens wel heel erg om de hoek kijken. Wat kan ik zeggen? Het komt goed? Dat weet ik niet. Maak ik dan onze angst alleen maar kleiner? Wat nu?

We hebben, later, samen een kaarsje opgestoken in Maastricht. Meer met de moed der wanhoop. We wilden geloven dat je van wanhoop weer hoop kunt maken. We hielden ons met z’n allen vast aan die hoop, al stond het water ons vaak zo hoog dat we het niet droog hielden.

Ieder jaar in november hebben we zo’n klets- winkel- cultuurdag samen. We vieren de tweede geboortedag. Riet gaat verder met haar leven. Ze heeft, wat een wonder, een nieuwe bloedgroep gekregen.
En wij allemaal: wij hebben even gezien wat echt belangrijk is in ons leven. We pakken de draad weer op in de wetenschap dat mensen er kunnen zijn voor elkaar als dat nodig is.
Zonder grote woorden of daden: zomaar, gewoon er zijn.

Bertie Bemelmans-Stevens (pastoraal adviseur kring Zuid-Oost)