Het is warm, echt warm. Zo’n dag dat mensen de schaduw van het park opzoeken. Alle banken zijn dus bezet. Gek eigenlijk, dat we allemaal een bank voor onszelf willen hebben Op een plek in de schaduw zit stil een jonge vrouw. “Mag ik erbij komen zitten?” Verstoord en een beetje geschrokken kijkt ze op. “Je doet maar”, zegt ze nogal kortaf, met een bruusk gebaar. Liefst loop je dan door maar ja, dat kan nu natuurlijk ook eigenlijk niet. Zo onopvallend mogelijk probeer ik naar haar te kijken. Er is iets met haar. Ze ziet er echt niet gelukkig uit.
“Vindt u het erg vervelend dat ik hier ben gaan zitten?”, probeer ik maar eens voorzichtig. Ze kijkt me boos aan: “Ja, eigenlijk wel”, zegt ze. Dan blijft het stil. Even later kijkt zij heel onopvallend naar mij, alsof ze wil peilen of ze nog meer kan zeggen. Kennelijk vertrouwt ze het wel, want ze zegt: “Kijk, ik zit hier te leren alleen te zijn. Tot gisteren was ik een stukje van twee. Ik vertrouwde hem blindelings in alles. Ik hoefde nooit te denken of iets kon of niet. Wij waren twee helften van een geheel. Nu is dat voorbij. Vanaf vandaag zal ik het alleen moeten doen. Nu voelt niets meer leuk. Het is alsof een stuk van me geamputeerd is.”
Luisteren naar dit verhaal is niet zo moeilijk. Maar dan…
“Kun je er met iemand over praten?”, vraag ik.
“Oh ja, avonden, dagen als het moet. Maar dat blindelingse vertrouwen is weg en mezelf kennende voor altijd. Dus zit ik hier nu te leren weer alleen te zijn.”
“En ik breek daar in”, zeg ik.
“Ja,” zegt ze, “maar niet echt, ik heb ook al met de duiven gepraat toen ik ze brood voerde.”
Bertie Bemelmans – Stevens
(geestelijk adviseur kring Zuid-Oost)