“Alweer blauw”, de eerste blik naar buiten als ik de gordijnen open trek.
Toen het goede weer, zon en meer warmte, net begon, zag je dat aan mensen.
Ze worden vrolijker, krijgen meer kleur en als het wat langer duurt, worden ze gelukkig ook wat luier. “Net vakantie”, denk ik dan.
Op het schoolplein vergelijken de meiden ’t bruin met elkaar.
“Nee, dat van mij is een ander soort bruin”, hoor ik er een zeggen. Zorgeloos hangen ze languit op en tegen de muurtjes van de speelplaats. Er wordt nadrukkelijk besproken wie met wie is en wat wel en niet kan. Naast elkaar zitten Hanna, José, Babette en Fatima. De anderen staan, zitten en hangen er omheen. Of ze nu uit het dorp of de stad komen, thuis Limburgs of Turks spreken, hier zijn het jonge meiden met dezelfde interesses. Ze lenen elkaars kleren of juwelen als het nodig is. Fatima heeft hen al eerder uitgelegd hoe ze haar hoofddoek zo mooi strak rond haar hoofd krijgt. Het maakt voor hen hier niets uit.
Nog een keer wordt naar de zon en het bruin gekeken.
Babettes ouders zijn Ghanezen. Lachend zegt Hanna tegen haar: “Zo bruin als jij, dat halen we niet. Nu ben je ons echt ook hierin de baas.”
Ja, Babette wil de beste zijn. Dat weten we. Een tijd geleden sprak ik met haar daarover: “Babette, het kan wat minder. Je bent te streng voor jezelf.”
Haar antwoord: “Juf, als ik niet de beste ben, word ik met deze kleur hier niet geaccepteerd.”
Och, als je met je ogen dicht naar de zon kijkt, kleurt de hele wereld rood.
Bertie Bemelmans-Stevens